Inspiratie

download interview (pdf)

Solid Food – Een nieuwe verbintenis tussen boer en klant (video)

 

Een boerderij als sociale oefenplek

De verhalen van Walter Coens

Walter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een marathongesprek met boer Walter, lederen sloefen en zijn eeuwige ruitenhemd en beige salopette, in de zetel rond de tegelkachel. Hier zit hij weer, omringd door 3 vrouwen (zijn vrouw An en 2 interviewers) en zo is het heel zijn leven gegaan: ‘ik ben altijd goed omringd geweest!’ Is het daarom dat het sociale voor Walter altijd zo wezenlijk is geweest? Wie zal het zeggen…. Zijn sociale basisgedachte valt meerdere keren tijdens het gesprek: ‘Ik wou de boerderij niet voor mezelf.’ Dat was sinds de start van zijn ‘eigen Zonnekouter’ leidinggevend: hij wou iets opbouwen, iets in de wereld zetten in een sociaal verband.

Als boerenzoon startte hij zijn loopbaan in een landbouwproefstation van de overheid, maar vanuit zijn sociale bewogenheid stapte hij al gauw over naar de pionier biologisch-dynamische landbouwcoöperatie De Wassende Maan (Deinze-Astene, sinds 1986). Het was het coöperatieve gedachtengoed dat hem aansprak, en tegelijk raakte hij ook ondergedompeld in de wereld van de biologisch-dynamische landbouw. De sociale organisatie lukte er echter niet goed, en de samenwerking viel uit elkaar. Daar heeft Walter veel uit geleerd: hoe het niet moet, waar de valkuilen zitten.

Samen met zijn vrouw An startte hij vervolgens zijn eigen project, De Zonnekouter, nu 15 jaar geleden. Van in het begin werd dit een sociaal verhaal: om de grond voor De Zonnekouter te kopen werden leningen en schenkingen verzameld bij klanten en sympathisanten, en de compleet verkrotte boerderij verrees uit haar as mede dankzij heel wat vrijwilligerswerk. Alles werd geteeld voor rechtstreekse verkoop, klanten werden bij het verhaal van de boerderij betrokken, en er werd nauw samengewerkt met collega-bioboeren. Twee jaar geleden stapten 3 jonge boeren en boerinnen mee in het bedrijf en werd terug een beroep gedaan op de consumenten om de opstart van een coöperatie mee mogelijk te maken.

Doorheen de jaren werd De Zonnekouter een levende sociale plek waar mensen samen werken aan een vernieuwende landbouw. ‘Samenwerking is iets heel moois en kan een project ongelooflijk versterken: het zorgt hier dagelijks voor kleine wonderen. Maar het kan ook helemaal misgaan.’ Vandaar de vragen die continu Walters denken bepalen: Hoe maak je dat het werkt, en dat het blijft werken? Hoe geef je dit allemaal vorm? Welke structuren dragen De Zonnekouter en hoe werkt dit dagelijks op de werkvloer?

In de te vroege herfst van zijn bestaan laat hij zijn gedachten en ervaringen optekenen, voor al wie het verhaal zal voortschrijven.

 

Zonnekoutergedachten

Het sociale organisme als bodem van de samenleving

 

Zoals het een boer betaamt, begint Walter zijn verhaal vanuit de bodem.

‘Ik zie het zo: wat de bodem betekent voor de landbouw, betekent het sociale organisme voor de samenleving. De mens is niet gemaakt om alleen te leven, hij streeft ernaar samen met anderen te werken en leven, daar is oorspronkelijk zelfs misschien de landbouw uit gegroeid: laat ons stoppen met dat jagen en verzamelen, en ons hier settelend samen organiseren om iets op te bouwen … is dit niet vanuit een sociale laag in de mens ontstaan?

Het is soms iets onbestemds als we over het sociale praten, mensen weten niet goed wat ermee aan te vangen. Vroeger zat dat nog voor een stuk vervat in de geloofsbelijdenissen van de kerk, maar dat is weggevallen. Daarna kwam een soort leegte. Ook in de landbouw zie je leegte: de gangbare landbouw draagt te weinig zorg voor de bodem, met verlies van vruchtbaarheid en een zieltogende bodem als gevolg. Een biodynamische boer beschouwt zijn bodem als een levend organisme[1] en bemest haar met compost, liefde en kennis van zaken. Daarmee is de helft van het werk gedaan. De andere helft is stielkennis, goed waarnemen en op het gepaste moment het juiste doen. Zoals een goede boer zijn bodem voedt, moeten we als mens en burger onze samenleving als sociaal organisme tot leven wekken en voeden. Daarvoor moeten we weten hoe dit organisme werkt en hoe we dit moeten bewerken

[1] Biodynamische landbouw gaat uit van de boerderij als een levend organisme, waarvan de verschillende organen elkaar ondersteunen: vee, gewassen, akkers, weiden, bijen, natuur,… en is dus in principe ‘gemengd’ (én vee én gewassen). De kringlopen worden zoveel mogelijk gesloten: het vee, gevoederd van eigen land, produceert hoogwaardige mest die wordt gecomposteerd en dient als voeding voor de bodem. Het resultaat is een levende bodem die gezonde gewassen voortbrengt: vitale levensmiddelen, die het internationaal kwaliteitskeurmerk Demeter dragen.

 

[1] Biodynamische landbouw gaat uit van de boerderij als een levend organisme, waarvan de verschillende organen elkaar ondersteunen: vee, gewassen, akkers, weiden, bijen, natuur,… en is dus in principe ‘gemengd’ (én vee én gewassen). De kringlopen worden zoveel mogelijk gesloten: het vee, gevoederd van eigen land, produceert hoogwaardige mest die wordt gecomposteerd en dient als voeding voor de bodem. Het resultaat is een levende bodem die gezonde gewassen voortbrengt: vitale levensmiddelen, die het internationaal kwaliteitskeurmerk Demeter dragen.

 

Vrijheid – gelijkheid – broederlijkheid in het sociale organisme

Walter liet zich hiervoor inspireren door Rudolf Steiner, en verwijst enthousiast naar een boek van Harrie Salman[1], die deze gedachten in een hedendaagse context giet. ‘Maar pas op, ik ben geen intellectueel, en er zullen haken en ogen zitten in mijn verhaal, maar dit is niet belangrijk. Wel essentieel is dat die gedachten duidelijk maken waarom De Zonnekouter een coöperatie is, waarom ik een ander economisch plaatje wou.‘

‘Het geestesleven, het rechtsleven en het economisch leven zijn de drie levensgebieden, de drie pijlers van onze samenleving, ze zijn als drie op zichzelf staande en werkende organen binnen het sociaal organisme. Ze functioneren elk volgens eigen wetmatigheden: vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid, de drie idealen van de Franse revolutie, die aan de basis van onze westerse samenleving liggen.

Wil onze samenleving echt als een levend ‘sociaal organisme’ werken, dan moeten die idealen op de juiste plek worden toegepast. In het geestesleven is vrijheid de basiswaarde (ieder mens heeft absolute vrijheid van denken), in het rechtsleven dienen we elkaar menswaardig als gelijken te behandelen, en in het economisch leven hoort broederlijkheid als ideaal (we gunnen elkaar wat ieder nodig heeft). De drie gebieden bevruchten elkaar vanuit hun sociale samenhang, en het sociale organisme en onze ontwikkeling als mens worden erdoor gevoed.

Maar hoe krijgen we dit georganiseerd? Dit is nu net de moeilijkste kant van het verhaal, we halen alles flink door elkaar, waardoor momenteel zoveel misloopt en die mooie idealen onderuitgehaald worden.

We hebben altijd te vertrekken vanuit de vrije mens, maar vrijheid wordt mis begrepen als het gericht is op eigenbelang. Op dit moment heerst in het economisch leven de absolute vrijheid, de klant is koning, alles is maakbaar, je mag verdienen wat je wil ten koste van wie en wat dan ook. Vanuit dit liberale denken overheerst de economie het sociale (alle kleine sociale correcties buiten beschouwing gelaten) en stuurt zelfs het rechtsleven (bv bij arbeidsomstandigheden). Dit veroorzaakt grote sociale ongelijkheid en onvrijheid, met vaak mensonwaardige leef- en werkomstandigheden. Ook het geestesleven wordt verengd en overschaduwd door het economisch leven: bedrijfsgebonden onderzoek, onderwijs gericht op prestatie, en het culturele leven dat ook al moet ‘opbrengen’. Macht en geld hebben gevaarlijke proporties aangenomen. In plaats van algemeen belang en dienstbaarheid aan de hele gemeenschap zijn we te veel in een ik-verhaal verzeild. Het liberale vrijheidsideaal moet dus niet in ons economisch leven maar in ons denken zitten (geestesleven) en heeft zich te richten op de medemens zodat iederéén vrijgemaakt wordt.

Het communisme/staatssocialisme wou dan weer gelijkheid in het economische leven, wat geen ruimte liet voor eigen initiatief en creativiteit; alweer een beperking van onze vrijheid en ontwikkeling. En gelijkheid in het geestesleven zien we opduiken in extreme communistische systemen of in godsdienststaten: iedereen moet denken zoals wordt voorgeschreven. Dit beknot onze ontwikkeling als vrije mens.

Elke politieke strekking stoot hier op grenzen, door één denkwijze, één ideaal op alle drie de levensgebieden door te willen trekken zonder helder onderscheid. Dat is een grote valkuil. De Groenen kunnen in dit juiste begrip en de juiste toepassing van vrijheid nog een sterkere rol spelen.

De uitdaging vandaag is het sociale organisme een nieuwe vorm te geven, her uit te vinden en te voeden, zoals de biodynamische landbouw de bodem opnieuw tot leven brengt. Die drie levensgebieden met bijhorende idealen hun juiste plaats geven en ze vooral niet door elkaar halen. Zo neutraliseren we het machtsdenken.’

 

Gezocht: idealen op de juiste plaats

 

Vrijheid in het geestesleven

‘Geestesleven= ons denken, het onderwijs, opvoeding, volkscultuur- en taal, wetenschap, gezondheidszorg, kunst, religie… of te begrijpen als het geheel van de werkingen en uitingen van de geest, hetzij van een persoon of van een collectiviteit’ (Van Dale).

‘Uit het vrije geestesleven, uit ons denken als vrije mens komen alle ideeën vandaan, ook deze idealen. We moeten ons denken scholen, dit zorgt ervoor dat we als mens en samenleving verder ontwikkelen. Zoals de mest de bodem voedt, zo voeden onderwijs en cultuur de mens en het sociaal organisme, en zo bevrucht die op haar beurt het economische en het rechtsleven. Het komt erop aan dat dit geestesleven inspirerend is, geraadpleegd wordt bij problemen, met studie de praktijk verrijkt…

Ook religie en spiritualiteit kunnen een bron van wijsheid zijn. We hebben op dat vlak het kind met het badwater weggegooid, want daar is in de loop der eeuwen veel wijsheid verzameld. Als boer heb ik meermaals ervaren hoe er meer aan het werk is dan het louter fysieke: je kan niet naast die geestelijke dimensie kijken. Hoe de natuur zichzelf reguleert, hoeveel onzichtbare wijsheid aanwezig is in het kiemen van een zaad, in het groeien van een plant, in het zich vormen van een ecosysteem; we begrijpen daar nog geen fractie van. In de biologisch-dynamische landbouw proberen we verder te kijken dan het louter zichtbare, die wijsheid te doorgronden. Wat maakt een levens-middel tot werkelijke voeding bijvoorbeeld: is dat enkel de materie, de bouwstoffen (zoals de natuurwetenschap stelt) of is een welbepaalde levende samenhang of levenskracht crucialer? En hoe kunnen we die levenskracht versterken? Als boer op zoek gaan naar die onontgonnen kennis (zoals ook bv de wetenschappers op het Louis Bolk Instituut in Nederland doen), dat is een fascinerend avontuur, dat erg inspirerend en verrijkend werkt, en dat ons ook op een juistere manier met de landbouw en ons voedsel doet omgaan. Anders gedragen we ons hier op het land toch maar als een olifant in een porseleinwinkel. Want al geeft voedsel de mens in eerste instantie gezondheid, genot en voedingswaarde, in werkelijkheid geeft het ons ook de mogelijkheid om onze geestelijke en lichamelijke verbinding met de aarde te vernieuwen.

Onze huidige wetenschap is, met haar beperking tot het materiële, maar een deel van het hele verhaal, maar ze weigert dit te erkennen. Filosofen hoor je soms de prachtigste redeneringen opzetten, maar even vaak – dit is zo teleurstellend – zakt hun mooi opgebouwde redenering weer als een pudding in elkaar, en alleen maar door een stap voorbij dat materiële niet te durven wagen. Onze materialistische denkwijze staat het vrije denken erg in de weg.

 

Gelijkheid in het rechtsleven

‘Het rechtsleven moet er dan over waken, dat de verhouding van mens tot mens fundamenteel gelijk blijft, menswaardig, door goede contouren te zetten en de juiste structuren te scheppen waarbinnen we als mens en als organisatie kunnen functioneren en ontwikkelen. Essentieel bij samenwerkingen is vanuit respect en gelijkheid te vertrekken: directeur, schoonmaker of eender welk ambt, ze zijn allen even belangrijk, en ze dienen dat in de loop van de samenwerking ook te blijven. Denk aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: mooier en krachtiger kunnen we het niet bedenken.’


Broederlijkheid in het economisch leven

‘De ware opdracht van het economisch leven is het bevredigen van onze materiële behoeften. Als mens zijn we van nature in het economische erg egoïstisch ingesteld: we hebben angst om tekort te hebben, te weinig eten, te weinig loon, geen huis…. Ieder wil uiteraard genoeg hebben om menswaardig te overleven. In die zin is de mens een raar beestje: fundamenteel sociaal als wezen, maar tegelijk hebben we ook asociale neigingen. We moeten het economisch leven dus vorm geven op een manier die zorgt dat deze egoïstische oerdrift niet met ons gaat lopen, dat we geen overmatige rijkdommen opbouwen op de rug van onze medemens, noch in het tegendeel gaan overdrijven, door iedereen gelijk te bedelen, want onze behoeften en noden zijn ook niet gelijk.

Het is een natuurlijke spanning, en er is niets mis mee, als we gewoon aanvaarden dat dat zo is: consument, handelaar en producent hebben nu eenmaal tegengestelde belangen. Die spanning lost zich echter op in een ander economisch plaatje: die van de associatieve economie. Dit woord dekt volledig de lading: economie draait op associaties tussen mensen of groepen van mensen. We moeten aan tafel gaan zitten, een ‘ronde tafel’, met consument, handelaar en producent een verbintenis aangaan met elkaar, en van daaruit afspraken maken.

We moeten dus aan de slag met de tegenstelling producent-consument: de consument wil zo goedkoop mogelijk gediend zijn, en de producent wil zo veel mogelijk geld voor zijn waar, een feitelijke tegenstelling die heel natuurlijk is. We zijn allemaal zo hé, voor we ’t weten staan we allemaal in de macro – die bandieten die geen belastingen betalen. Dus moeten we een plek creëren waarin je mekaar ontmoet, en dan ontmoet je mekaar ook in heel dat sociale organisme. Kijken wat ieder nodig heeft en elkaar dat ook gunnen, prijsafspraken doorzichtig maken, en dan wordt economie eenvoudig. Door goed samen te werken gaan producent en consument elkaar beveiligen: de producent krijgt zekerheid over zijn afzet, de consument krijgt zekerheid over kwalitatieve producten. Daardoor valt het spanningsveld weg, want ze maken deel uit van een gemeenschappelijk project. Dan krijg je echte broederlijkheid in de economie. Wie weet evolueren we naar het wegvallen van die tegenstelling als we erin slagen mekaar op deze manier te beveiligen, en zijn wij binnen duizenden jaren wezens die daar helemaal niet meer wakker van liggen…

Een voorbeeld? In de biosector maakte ik het ooit mee dat in een grote ronde tafel van producenten, handelaars en consumenten een kleine wortelboer meer kreeg van de handelaar voor zijn zaadvaste rassen dan de grotere wortelboeren die, door gebruik van meer mechanisatie en hybride rassen, goedkoper konden telen. Daar werd een andere economische logica toegepast: ‘door jouw omstandigheden en keuzes ondersteunen we je en kopen we de wortelen duurder aan, zodat die ook hun weg vinden naar de consument’.

Ik zie inkomen ook los van arbeid. Arbeid is niet iets om te verkopen, het is een dienst voor de wereld. Want de mens als lui wezen bestaat niet, de mens is een sociaal beest en zet zich graag in. We moeten af van het verkopen van onze arbeid en onze arbeid ten dienste van elkaar stellen, en de vruchten eerlijk verdelen. Het is gewoon een sociale wetmatigheid dat hoe meer iedereen zijn arbeid inzet voor een ander, hoe vrijer iedereen uiteindelijk wordt. Zo boer ik graag, wel dan zorg ik voor iemands voedsel, terwijl de ander bijvoorbeeld een meubel maakt voor mij, en we vragen elkaar hetgeen we nodig hebben om dat te verwezenlijken, meer niet. Zo gaat dat hier en dat eindigt iedere keer weer in ontmoeting en feest. Stel je eens voor wat een andere cultuur we kunnen hebben… De drang om zelfvoorzienend te zijn bijvoorbeeld voelt misschien veilig, maar is eigenlijk heel vereenzamend en eigenlijk niet zo vernieuwend. Alles voor uw eigen, waar eindigt dat?

Zo’n socialer economisch leven daarentegen zal enerzijds ons egoïsme beteugelen, terwijl we anderzijds elkaar de mogelijkheid schenken om de arbeid te verrichten die ons ligt. De oplossing ligt er dus in om het economisch leven te ontwikkelen vanuit het sociale, in plaats van vanuit die asociale neiging, door vanuit een broederlijkheid te kijken naar elkaars noden, elkaars capaciteiten, en door loon-, prijs- en productieafspraken te maken die er ook voor zorgen dat ieder krijgt wat hij nodig heeft.

 

Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij meer daarvan aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn behoeften niet uit eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd. Of korter: Het welzijn van de mensen is des te hoger naarmate het egoïsme geringer is. (Steiners ‘Sociale hoofdwet’ uit 1905- 1906).

Steeds waar deze wet zichtbaar wordt, waar iemand in de geest van deze wet actief is voor zover hem dat mogelijk is op de plaats die hij in een mensengemeenschap inneemt: daar wordt iets goeds bereikt, hoe bescheiden ook. (‘Verbeter de wereld (en begin samen). De sociale hoofdwet’, R Steiner, uitgave 2009)

 

Maar al die theorie moet je vooral in de praktijk omzetten en aanpassen aan je eigen context. Je moet in het water springen en zwemmen, het moet praktisch worden.’

 

 

Inspiratie: boerderij Dottenfelderhof

 

Walter leerde heel veel uit een werkbezoek aan het Dottenfelderhof in Duitsland. Sinds 1968 leven daar vijf gezinnen in een landbouwgemeenschap. Ze leven er vandaag nog, de volgende generatie heeft ondertussen al het roer overgenomen, en ze lijken op sociaal vlak weinig brokken te hebben gemaakt.

‘Eerst dacht ik natuurlijk: tja, dat zijn Duitsers, dat zijn halve monniken, die kunnen dat met hun ijzeren discipline en wil – wir schaffen das – maar wij Vlamingen? Maar ik deed er een ongelooflijke ervaring op. Hoe werkt het? Elke ochtend zitten de medewerkers er samen om elkaar te vertellen hoe de dag ervoor verliep en wat ze die dag zullen doen. Wekelijks hebben ze één avond vergadering om problemen te bespreken en op te lossen. Meestal komt er een oplossing. En als er geen oplossing wordt gevonden, dan wordt er een extern iemand bijgehaald en rond het probleem gestudeerd om tot een oplossing te komen. Het is een sociaal werkende organisatie die altijd weer tot een werkende consensus komt, vanuit de kennis die ze samen hebben en vergaren. Ze hebben hard gewerkt aan goede structuren, en hebben arbeid en inkomen volledig gescheiden. De mannen hebben de gemengde boerderij vormgegeven, maar, ere wie ere toekomt: het zijn de vrouwen die het project echt zijn elan hebben gegeven, door kaas te maken, een bakkerij te starten, een winkel te openen, alles wat een mens nodig heeft, op één boerderij dus, tot zelfs een bejaardenhuis voor boeren…. Het inkomen is één grote pot en ieder neemt er uit en vraagt wat hij nodig heeft; de kinderen worden gezamenlijk ondersteund tot ze afstuderen. En het werkt, al bijna 50 jaar. Mensen kunnen dat! In zelfplukboerderijen is er toch ook niemand die het hele veld leegplukt?

Welnu, ik ging naar huis na dit bezoek en dacht: wat die Duitsers kunnen, dat kan ik ook. Natuurlijk moet je dat niet zomaar kopiëren, maar naar hier vertalen. Dat heeft lang geduurd, maar het idee was duidelijk: je moet structuren uitbouwen en samenwerking organiseren door regelmatige bijeenkomsten en studie, je vrijheid in eigen handen nemen en die aan elkaar geven.

 

 

[1] R. Steiner: De kernpunten van het sociale vraagstuk. De driegeleding van het sociale organisme.
H. Salman: De sociale impuls als weg naar een nieuwe antroposofie.

 

De Zonnekouterpraktijk : samen werkt het!

 

hetwerkt

Hoe organiseer je dit alles, hoe zorg je voor goede structuren zodat het kan werken? ‘Ik vertrek altijd vanuit de vrije mens en stel me steeds weer de vraag ‘in welk van de drie levensgebieden hoort iets thuis?’ zodat je er op de juiste manier mee kan omgaan. Zo is de kernactiviteit van de Zonnekouter biologisch-dynamische gewassen telen en verkopen; dit is op zich een economische activiteit, hier zoek je de broederlijkheid op. Maar niet alles wat hier gebeurt, hoort onder het economische thuis: de grond waar je op teelt, de zorg voor erf en land waar zoveel vrijwilligers hun steentje aan bijdragen, of de culturele en educatieve activiteiten rond het boerderijgebeuren; hier heeft de geest vrije ruimte nodig voor haar ontwikkeling. In de loop van de jaren kwamen veel mensen op onze boerderij af, die hier wilden werken. Wel, dan moet je je verantwoordelijkheid nemen, in gesprek gaan en daar een antwoord op geven. In je dagdagelijkse werk moet je goede afspraken maken, en van mens tot mens gelijkwaardig met elkaar omgaan: dit gaat over het rechtsleven. Dat alles maakt de boerderij tot een sociale stoofpot, een oefenplek, waar we elkaar ontmoeten en samen van alles beleven en tot stand brengen. Belangrijk is om in zo’n sociaal gebeuren alles zijn juiste plek en vorm te geven.’

 

De grondgedachte: vrijheid

 

‘We zijn gewoon om te denken in economische termen. Alles wordt gekocht en verkocht. Maar voor grond is dit een ander verhaal. Als je goed nadenkt, merk je dat grond niet beschouwd kan worden als deel van het economische leven: je kan het niet bijmaken of afschrijven. Steiner beschrijft grond als iets dat in wezen geen ‘waar’ is, maar een recht op het gebruik ervan. Grond hoort ons niet toe, maar moet in wezen vrij zijn, ter beschikking staan van de gemeenschap, voor de landbouw in dit geval. Ze is, zoals water en lucht, eenvoudig weg een deel van de aarde, een geboorterecht. Je brengt grond daarom best onder in een goede structuur die de grond uit het privébezit en de handel kan ‘bevrijden’.’

 

Vanuit die grondgedachte richtten An en Walter de vzw Land-in-Zicht op, om land voor biologische landbouw vrij te kopen zodra de kans zich voordeed. In 2000 vonden ze een verkrotte boerderij met grond in Machelen; de aankoop van de 4 hectare grond aan de boerderij werd een sociaal experiment. Mensen werden gezocht die aan de vzw geld wilden lenen, en anderen die wilden schenken om de leningen vervolgens af te betalen. Na 10 jaar werd genoeg schenkgeld verzameld en was de grond effectief ‘vrijgeschonken’, stond hij ter beschikking van de bioboeren op de Zonnekouter om te bewerken voor hun klantenkring.

Zo kreeg De Zonnekouter een stevige duurzame basis: de kosten van de grondaankoop wegen niet op het bedrijf, wat maakt dat er geen roofbouw moet worden gepleegd om alles rendabel te houden. En bij overname door nieuwe jonge boeren moet de grond niet meer worden overgekocht, maar gewoon doorverpacht.

 

‘Later hebben we dit, samen met collega-bedrijf De Kollebloem die ook hun land wilden vrijkopen, omgevormd en overgedragen naar de Stichting Land-in-Zicht[1]. Deze structuur sloot naar ons aanvoelen beter aan bij het doel: een kleine raad der wijzen die de behoeder is van de grond, het gedachtengoed bewaakt, en de grond beheert en verpacht aan bioboeren. Moest De Zonnekouter ooit stoppen, zullen zij de grond aan een ander biologisch landbouwproject toewijzen. Een stichting is niet zo democratisch als een vzw (daar geldt meer het gelijkheidsprincipe), maar je wil ook niet dat na 10 jaar een Algemene Vergadering een ander idee krijgt over het beheer en de bestemming van die biologische gronden. De grond moet vrij blijven voor de biolandbouw.

Vzw Land-in-zicht blijft nog bestaan voor de projectwerking, het vrijwilligerswerk: schenkgeld zoeken voor grondaankoop, werken aan bewustwording rond de grondproblematiek.

We wilden de vzw en Stichting Land-in-zicht ook laten groeien, de nood aan grond voor bioboeren in Vlaanderen is immers erg groot. Maar dat groeide een beetje boven ons petje, uiteindelijk werd toch besloten om hiervoor een nieuw project op te starten, ’De Landgenoten’, dat nu onder de vorm van aandelen grond koopt voor bioboeren.’

 

Broederlijkheid: economie als een sociaal gebeuren

 

Het economisch leven van De Zonnekouter draait rond samenwerken en draait dankzij samenwerking. Want zoals de idee en de praktijk van een associatieve economie duidelijk maakt zijn producenten en consumenten wederzijds afhankelijk. Dit is een positief verhaal van solidariteit: ze zijn, mits mekaar regelmatig te ontmoeten en voeling te houden, in staat om mekaar tegemoet te komen in elkaars noden (prijs en kwaliteit kloppen) en zorgen in die zin voor elkaar.

 

Rechtstreekse verkoop schept een band
An: ‘Vroeger op de Wassende Maan hebben we nog voor supermarkten geteeld. We leerden er hoe kwetsbaar het ons maakte: we kregen niet de prijs die we nodig hadden voor ons vele werk, en groenten die oogstklaar op het land stonden te prijken werden niet afgenomen. Mooi kwaliteitsvoedsel moeten infrezen na al dat werk, dat vreet aan je eigenwaarde, je trots als boer, en je verliest je inkomen. In het huidige systeem is de klant ‘vrij’ om doorheen het jaar te kiezen wat hij koopt en eet, liefst zo goedkoop mogelijk. Dit gaat ten koste van veel. Het dwingt de boer in een keurslijf van met zo weinig mogelijk geld, en vooral zo weinig mogelijk zorg voor de aarde, zoveel mogelijk te telen… Het schept onvrijheid. Misschien kan een supermarkt wel goed werken, maar dan één vanuit een groep boeren georganiseerd, met goede afspraken over afzet en prijs, waarbij het oogstrisico mee gedragen wordt door handelaar en consument. Daar staan supermarkten nu niet voor open, ze promoten juist het tegendeel. Toen zijn we in Nederland op zoek gegaan naar alternatieven, en hebben het groentenabonnement naar Vlaanderen gehaald.

Op de Zonnekouter hebben we vanaf het begin de keuze gemaakt voor een rechtstreekse afzet van onze gewassen via groentenabonnementen en thuisverkoop. Een abonnement is een vast engagement van de consument dat ons op die manier een loon garandeert doorheen het jaar. De klanten geven voor een stuk hun keuzevrijheid op, maar ze krijgen smaakvolle, verse en duurzaam geteelde groenten. Ze krijgen er een wekelijkse nieuwsbrief bovenop met verhalen van de boerderij, veel inhoud en lekkere recepten. Zo ontdekken ze hoe ze creatief kunnen koken met wat zich aandient, en ze leren nieuwe groenten kennen.

Dit engagement van de klanten is niet niks, maar het maakt dan ook veel moois mogelijk. Als boer komen we vrij van het vraag- en aanbodsysteem van de groothandel. We kunnen vragen wat we écht nodig hebben voor het duurzaam telen van onze groenten, zo houden we er een eerlijk loon aan over. We kunnen de klant ook laten delen in het oogstrisico door kleinere hoeveelheden te geven bij een mislukte oogst, en royalere porties bij overvloed. En uiteindelijk betaalt de consument niet méér voor deze kwaliteit, want we werken efficiënter: we stemmen ons teeltplan af op wat we het jaar rond nodig hebben, en we oogsten wat klaar is; niets gaat dus verloren. Ook op het gebied van voedingskwaliteit werkt het grensverleggend: als boer kunnen we kiezen voor de iets minder rendabele zaadvaste smaakvolle rassen in plaats van de minder lekkere hybride rassen. We kunnen ook kiezen voor een duurzaam systeem van bemesten met compost, dat wat minder opbrengt op korte termijn, maar groenten beter ‘op smaak zet’, en de bodem beter voedt.

 

Al een kleine 10 jaar maken ook Voedselteams deel uit van ons verhaal: een groeiende groep klanten die ook onze groentenpakketten afneemt. Ze zijn nu al goed voor bijna de helft van onze afzet. Toch blijft dit voor ons een dubbel verhaal: doordat klanten wekelijks ‘vrij’ kunnen bestellen geeft het ons lang niet zo’n grote zekerheid als onze abonnementen. En dan merk je dat het hard werken blijft om terug die verbinding en dat wederzijds begrip tot stand te brengen tussen producent en consument. Maar de aanhouder wint: ook hier hebben we nu al een aantal teamleden die kiezen voor een jaarabonnement.

 

En dan hebben we nog onze vaste klanten in de boerderijwinkel: die komen hier graag om te kunnen kiezen uit al die verse weelde, met de kinderen naar de varkentjes te kijken, een praatje te maken met Lien en met elkaar. Bij mooi weer zetten we de koffietafel buiten, dan kunnen ze hier wat blijven genieten van de rust en het moois.

 

Het engagement van onze klanten maakt een wereld van verschil: wij boeren krijgen meer autonomie en krijgen zo de kans om onze klanten mee te nemen in een verdere ontwikkeling van onze landbouw. Dit resulteert uiteindelijk in een gelukkige, creatieve en vrije boer, smaakvollere groenten, een creatieve (dus ook bevrijde) consument en zorg voor de omgeving. Het is een samenwerking die banden schept. Het is een sociale daad!’

 

De Vroente: uitwisseling en ondersteuning onder collega’s

 

Samen met De Kollebloem en Ourobouros, twee andere kleinschalige en gelijkgestemde biobedrijven, richtte De Zonnekouter een feitelijke vereniging op: De Vroente (oorspronkelijke betekenis: ‘gemeenschappelijk gebruikte landbouwgronden’). ‘Samen kunnen we een grote verscheidenheid aan eigen groenten aanbieden, de basis voor een goed draaiend groentenabonnementsysteem, en toch efficiënt werken omdat we elk minder soorten en wat grotere oppervlaktes kunnen telen. Als kleine eenzame bedrijfjes zou dat nooit zo goed lukken. En doordat we alle drie vanuit eenzelfde biologisch-dynamische visie omgaan met onze bodem en onze gewassen kunnen we die kwaliteit waarborgen naar onze klanten. Die samenwerking gaf ons ook wederzijdse ondersteuning bij de uitbouw van onze projecten. De laatste jaren zijn we allemaal omgevormd tot een coöperatie; we hebben elkaar in dat proces ondersteund en leren van elkaar. Dit bredere draagvlak maakt het mogelijk om samen studiedagen te organiseren rond een thema dat ons aanbelangt; het is zoveel gezelliger en menselijker werken op deze manier.’
Hoe zorg je er nu voor dat dit blijft werken? ‘Ook hier is het zoeken hoe je het economische kunt ontwikkelen vanuit het sociale. Als boer moet elk allereerst op zijn bedrijf vrije, autonome keuzes kunnen maken, daar moet je van uitgaan. En dan ga je kijken hoe je dat sociale kunt voeden en vormgeven, hoe je vanuit een broederlijkheid handel kunt drijven. Dat begint bij ons jaarlijkse gezamenlijke teeltplan over de drie bedrijven: elk geeft aan wat hij graag wil telen, we maken eerlijke prijsafspraken (waar we niet aan tornen!) en beleveren elkaar tweemaal per week van verse groenten.

Vergaderen doen we maandelijks, want het loopt zo vlug mis als je niet blijft communiceren: ieder heeft immers zijn eigen idee over hoe zijn product eruit moet zien. En we hebben allemaal gelijk, dus moeten we elkaar beter leren verstaan. Oogst je alle wortels, of haal je de kleintjes eruit? Wat als je oogst mislukt, mag je dan nog een mindere kwaliteit leveren? Hoe krom mag een komkommer zijn, waar leg je de grens? Hoe groot maak je je bosjes peterselie in zomer en winter, en wat mag/moet het allemaal kosten? Hebben we afhaalpunten voor abonnementen in elkaars buurt? En worden we dan concurrenten of werken we samen?

Jaarlijks een werkdag op elkaars bedrijf vergroot ook dat inlevingsvermogen: elkaars bodem en aanpak leren kennen, de bedrijfseigenheid met haar mogelijkheden en beperkingen. En jaarlijks samen op weekend, dat is belangrijk. Zo ontstaat er verbinding!’

 

‘Vele hanen op 1 mesthoop’… dat werkt wel! … maar het vraagt enige organisatie

Eerst de goede structuur scheppen

En dan is er natuurlijk nog de kern van de boerderij: de coöperatie. In 2014 werd die een feit: door de instap van een nieuwe generatie vaste medewerkers mogelijk te maken werd de toekomst van het project verzekerd. Er werd externe begeleiding gezocht om het oorspronkelijk familiebedrijf van An en Walter om te vormen naar een erkende coöperatie. Er werd hard gesleuteld aan de statuten tot ze het goede juridisch kader vormden waarbinnen de boeren gezamenlijk hun Zonnekouterproject konden ontwikkelen. Aan de samenwerking binnen De Zonnekouter wordt nog hard gewerkt om die een solide gestalte te geven.

‘Coöperaties zijn leuk, er zijn er zoveel opgericht sinds de jaren 60, maar ook zoveel op de klippen gelopen. Doordat we altijd ruzie maken blijkbaar, de mens is een raar beestje. We slagen er niet in om goed samen te werken, we weten niet hoe we dat op een goede manier moeten doen. Enkele coöperaties van het eerste uur zijn blijven bestaan omdat ze dat juiste sociale midden hebben kunnen bewaren, én op de juiste economische manier.

Onze generatie zette zich af tegen de bazen en knechten: we wilden iedereen gelijk, iedereen zijn verantwoordelijkheid! Maar we konden dit niet op de juiste manier een plaats geven. Van mens tot mens is ieder gelijkwaardig, maar een opgeleide ervaren boer die verantwoordelijkheid draagt, heeft meer autoriteit van spreken op zijn boerderij dan een toevallige plukkaarter. Als we dit niet zien misleiden we onszelf. We moeten niet overdreven democratisch willen samenwerken, door mensen verantwoordelijkheden te geven die ze niet vragen of niet aankunnen. Dan loopt het mis.

Maar je moet wel een ander sociaal antwoord bieden aan mensen die bijvoorbeeld naar hier komen om wat geld bij te verdienen met seizoenswerk. Omdat ze het hier een tof project vinden, graag op het land bezig zijn, misschien zelf boer willen worden. Mijn eerste vraag is altijd: voor wat kom je naar hier, wat heb je aan te bieden en hoe kan dat matchen? We proberen daar op een zo sociaal mogelijke manier een antwoord op te bieden, maar we kunnen hen geen volwaardige job geven, dat kan het bedrijf niet aan. Ik ben er mij van bewust dat dit eigenlijk niet hoort, we moeten ernaar streven dit soort arbeid zo weinig mogelijk nodig te hebben, of naar een vorm te brengen die voor iedereen bevredigend is. Dat gaat niet van vandaag op morgen, dat moeten we geleidelijk uitbouwen: iedereen moet mee zijn in dat verhaal. Dat is een continue oefening: hoe kunnen we zoveel mogelijk arbeid inzetten die verbonden is met het coöperatieve gedachtegoed? En hier altijd opnieuw op studeren als je er niet uit komt, dat is belangrijk.

Als mensen zich dan echt gaan verbinden met het project, wordt het een ander verhaal. Dat gebeurde met Katrien, Lien en Arne, die wilden mee de boot in. We zochten hiervoor een passende structuur en kwamen terug uit bij een coöperatie. We hebben gezocht naar een goede uitwerking van de statuten, om valkuilen te vermijden die we in het verleden zagen gebeuren.

Enerzijds zochten we voor onze coöperatie een werkvorm waarbinnen we op basis van gelijkwaardigheid konden samenwerken, elk met zijn eigen taken en daaraan verbonden verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid voor het dagdagelijkse werk en de uitbouw van het project moest in handen blijven van de vennoten die zich effectief met het project verbonden en hier hun inkomen uit halen.

In een coöperatie neemt het bestuur de beslissingen over hoe het project evolueert, en wat iedereen daarin doet. Dat is heel ingrijpend, dat kan enkel gebeuren door mensen die ook dag in dag uit met kennis van zaken op die werkvloer bezig zijn. Het gaat immers om hoe je werk, je leven er uitziet, en hoe je dit als vrije mens vorm geeft samen met anderen. Als het bestuur voor het grootste deel bestaat uit mensen die er niet werken, maar er financieel het meeste voor het zeggen hebben, dan loopt het fout. Dan creëer je ‘nieuwe baronnen’ die (overigens vaak met de beste bedoelingen) boeren voor zich laten werken om hun eigen idealen verwezenlijkt te zien. Je moet als werkende boer ten volle kunnen gaan voor je eigen idealen!

Anderzijds moesten we een breed financieel draagvlak creëren – breder dan de medewerkers zelf aankonden – zodat de boerderij en alle investeringen los zouden komen, ‘bevrijd’ zeg maar, van An en Walter. Zodat geld of eigendom niet in de weg zou zitten van het loslaten of het opnemen van verantwoordelijkheden. In vrijheid uitbouwen wat je echt wil in je leven, maar ten dienste van het project: daar gingen we voor.

Zo kwamen we uit op een gelaagde structuur van A, B en C-vennoten:

Walter, An en haar broer Jan zijn de oprichters, de A-aandeelhouders.

De drie nieuwe meewerkende vennoten Arne, Katrien en Lien, zijn ingestapt als B-aandeelhouder, ze groeien straks door naar A-aandeelhouder.

 

De A- aandeelhouders vormen samen het officiële bestuur van de coöperatie. Het feitelijk beleid gebeurt door het bestuur, maar vooral ook op onze gezamenlijke wekelijkse avondvergadering met de meewerkende vennoten. Het zijn immers de werkers die als ‘vrije ondernemers’ de beslissingen moeten kunnen nemen.
De C-aandeelhouders zijn de sympathisanten. Deze helpen de overdracht en de uitbouw van het bedrijf financieel dragen. In het bestuur kan één vertegenwoordiger van de C-aandeelhouders zetelen, het bedrijf nauwer opvolgen en met ons meedenken. De C-aandeelhouders beslissen in principe niet mee over de werking van het bedrijf. Doorheen het jaar houden we hen op de hoogte van het Zonnekoutergebeuren, en op de Algemene Vergadering brengen we het verhaal en de cijfers, het is dan aan hen om ons beleid te beoordelen en mee te denken over de grote lijnen van het project. ‘

 

En dan het echte werk

Hoe breng je het geheel tot leven, zorg je dat het blijft werken? Hoe voed je het sociale op je project, schep je verbinding, geef je ruimte en voeding aan de geest, hoe maak je goede structuren en afspraken, en zorg je dat elkeen zijn werk graag doet en een eerlijk loon ontvangt? Walter haalde de mosterd, zoals al vermeld, bij de werking van het Dottenfelderhof in Duitsland.

‘We zijn met ons vijven begonnen met het vormen van een gezamenlijke visie rond het Zonnekouterproject, waar we allemaal achter stonden en warm van werden. Elk heeft daarin zijn eigen missie, dromen en idealen, en het werkt inspirerend om die van elkaar te kennen. Daar moet je uiteindelijk mee verder, op moeilijke momenten moet je terug kunnen naar dat gemeenschappelijke.’

An: ‘Ieder doet waar hij goed in is, wat hij verder wil uitbouwen binnen het gemeenschappelijke project, dat zijn ook de dingen waar je energie van krijgt als je ze doet. Zo heb je bij een samenwerking, als het goed zit, op het einde van de rit energie over. Op De Zonnekouter voel ik dat heel sterk: het werk wordt lichter, doordat je het samen draagt en doet, doordat iemand anders goed is in dingen die je zelf het liefst voor je uitschuift, en dat dan van je overneemt. We hebben onze taken zo goed mogelijk proberen afbakenen, en elk krijgt de verantwoordelijkheid over het eigen werkdomein. Arne en Katrien organiseren het werk op het land en de teelten; hierbij zorgt Arne voor de dieren, de bodem, het machinewerk en de klussen, en Katrien voor de plantopkweek, de werkorganisatie met stagiairs en plukkaarters en de sociale omkadering. Lien zorgt voor de winkel en Voedselteams. An staat in voor abonnementen, administratie en het totaaloverzicht. Zowel An als Lien helpen ook mee op het land, zo houden we allemaal voeling met de basis van het project: de landbouw. Vervolgens merk je dat alles draait om vertrouwen dat elk de taak die hij opneemt ook zo goed mogelijk zal volbrengen. Als je dat niet kunt geven, valt alles in duigen. En om communicatie, want de puzzel moet goed in elkaar blijven zitten.’

Hoe het dan zit met het proberen loskoppelen van arbeid en loon? ‘Toen De Zonnekouter als coöperatieve startte, noteerden we allemaal onze uren. Wel, dat heeft niet lang geduurd! Niemand werkte per uur, en niemand begon of stopte op een vastgelegd uur. We maken overeenkomsten: iedereen neemt taken op naar eigen kunnen, en iedereen laat weten wat hij/zij nodig heeft, welk loon hij/zij wil. Ook al is dat niet voor iedereen hetzelfde: sommigen hebben kinderen, anderen niet, de leeftijden verschillen, sommigen leven op de boerderij, anderen niet… Vervolgens zoeken we een compromis binnen de rentabiliteit van het bedrijf. We ervaren dat werken voor jezelf hier feitelijk niet bestaat: het is werken voor elkaar, voor het gemeenschappelijk ideaal en project, en dat geeft voldoening. Hoe meer je van jezelf geeft, hoe meer je de ander de ruimte geeft om dat ook te doen. Maar het blijft een moeilijke oefening: niet iedereen kan evenveel werk aan, als je kinderen hebt slorpt dat ook veel aandacht en energie op, als je jong en enthousiast en onbezonnen bent kan je soms eindeloos veel tijd en energie verspillen, als je ouder wordt, wil het lijf niet zo meer mee, maar ben je soms veel efficiënter bezig. En dan draait het weer om vertrouwen, dat ieder zijn best doet om naar eigen vermogen te doen wat hij kan.

 

Het is ook belangrijk dat we elkaar tegenkomen, elkaar ontmoeten. We hebben dit structureel in de week ingebouwd. Elke ochtend zitten we samen voor de dagtaken, en wekelijks op dinsdagavond voor samenwerking en studie. Het zijn eigenlijk ook oefenmomenten, waarin we leren begrip krijgen voor de eigenheid en de kleine kantjes van ieder van ons. We bouwden een aangename gemeenschappelijke ruimte die dienst doet als bureau, vergader- en eetruimte, en die zich ontpopte tot het kloppend het hart van De Zonnekouter. Elke middag eten we er samen met alle medewerkers en vrijwilligers. Als kroon op de samenwerking eindigt de werkweek met een gemeenschappelijk moment, dat vaak als vanzelf – zoals naar goede traditie van Asterix en Obelix – uitloopt in een gezellig vrijdagavondgebeuren; er wordt geaperitiefd, gekookt en vooral gelachen.’
Vzw De Zonnekouter als sociale trekpleister

 

Doorheen de jaren ontwikkelde zich heel wat activiteit op en rond De Zonnekouter : klas- en andere bezoeken, boerderijfeesten, kookcursussen, optredens, er kwamen klussers, erfverfraaiers…

‘We hebben er uiteindelijk een zaaltje met keuken voor ingericht, om dit mogelijk te maken. Het wordt gedragen door vele vrijwilligers en biedt voor iedereen (ook voor ons) een enorme meerwaarde. Hier mag alles zich vrijer bewegen, zolang het niet ten koste gaat van de economische werking van het project. Er ontstaat van alles, en elke medewerker en sympathisant brengt ook weer eigen verbindingen, muziek en creatieve ideeën met zich mee. Nu graag nog een koor! Om een goed kader te bieden aan alle gemeenschapsvorming rond De Zonnekouter zijn we vzw De Zonnekouter aan het oprichten als het verbindende element op onze boerderij. Ze draagt de sociale geest van de boerderij uit.’

De boerderij als sociale oefenplek: vraagstukken

 

Er blijven nog veel vragen. ‘Wat met de gebouwen? Horen ze bij de stichting of bij de coöperatie? Hoe verhoudt een boer die op De Zonnekouter kan wonen zich tot een boer die er niet woont? Het blijft een uitdaging om de antwoorden te zoeken binnen de juiste levensgebieden: waar moeten we vrij kunnen zijn, waar is gelijkheid de norm, en waar moeten we handelen vanuit een broederlijkheid? Eerst kijken waar iets thuishoort dus, en dan zoeken naar een goede oplossing. De zoektocht is nog volop bezig, en dat is net de mooiste uitdaging. En die zoektocht zal ook nooit afgerond zijn. Er stellen zich altijd nieuwe vragen, blijven vernieuwen is het mooiste wat er bestaat. Regelmatig botsen die vernieuwingen op starre regels van de overheid. Waarom mogen er bijvoorbeeld niet zomaar twee wooneenheden op een boerenerf, terwijl dat voor onze coöperatieve zo noodzakelijk is? Maar even goed: kunnen mensen – van allerlei leeftijd komen ze aanwaaien – hier vrijwillig komen werken zonder door de overheid op de vingers getikt te worden? Soms moet je die regels uitdagen, als je er een goede reden voor hebt, anders loopt de vernieuwing vast, en verandert er nooit niets. De overtuiging die je hebt én je instelling van ‘van het goede uitgaan’ – hoe cliché ook – werkt dan beschermend.

Ons probleem vandaag is dat het sociaal organisme er niet meer is en het geestesleven niet goed meer functioneert. Wat dat betreft, zie ik een grote toekomst voor de coöperatieve beweging. Het is een enorm vat voor sociale vernieuwing. De overheid moet deze beweging de nodige ruimte geven; ze mag zich vooral zélf niet inlaten met het economisch leven. Kijk, iemand heeft ooit dit gezegd, wat mij altijd is bijgebleven: alles wat niet gegeven is, is eigenlijk verloren voor de wereld. Dit is een kern voor de sociale vernieuwing die we nu nodig hebben. Landbouw is hiervoor een goede spiegel: het is de enige tak in de industrie die je meer schenkt dan je zelf geeft, dat is bijzonder, dat zet aan tot denken…

De grootste zorg blijft hoe dan ook niet het economische verhaal, dat is uiteindelijk een droge en simpele optelsom, maar wel hoe we kunnen blijven samenwerken. Hoe vermijd je spanningen, hoe los je die op? Hier gebeurt dat door veel vrijheid te schenken en terug te krijgen. Laat mensen ook gerust eens fouten maken, dan krijg je interessante discussies. Het is belangrijk de vragen waarmee je zit te stellen, en te luisteren naar elkaar. Er bestaan technieken om vragen te bespreken en die gebruiken we dan ook. Als mensen tegenover elkaar komen te staan moet je eens ‘stop’ kunnen zeggen, wat achteruit gaan staan en vanuit een breder perspectief kijken. Eigenlijk is het allemaal een kwestie van veel oefenen, en daarvoor is een boerderij ideaal. De boerderij als sociale oefenplek… Dat sociale vraagstuk, dat is waar het mij nu toch het meest om gaat, hetgeen ik het liefst wil doorgeven aan anderen. Zoals biologisch-dynamische landbouw een dode bodem weer levend maakt, zo moeten we het sociaal organisme weer opbouwen. En dat betekent ook: de economie terugbrengen naar haar ware opdracht, namelijk ons bevredigen in onze materiële behoeften, niet meer dan dat. Veranderen moet je gewoon doen, zonder teveel schokken, vanuit het bestaande heropbouwen, met voldoende stielkennis, en de ballast laten vallen! Ik heb veel hoop in de jonge generatie, mijn eigen generatie is te veel belast met het linkse denken en de ontvoogding van het katholicisme. De jonge generatie is vrijer, kijkt met een opener blik tegen alles aan.

 

Het belangrijkste hulpmiddel om uit knopen te raken blijft voor mij de reflex om je afvragen waar je het nu effectief over hebt: is het een economische kwestie (economisch leven), een kwestie van rechtsverhoudingen tot elkaar (rechtsleven), of is het een vrije creatie van onze menselijke geest (geestesleven)? Onze valkuil tegenwoordig is al te vaak enkel op het economische te focussen. Maar de uitdaging is om het economische leven weer op haar juiste plaats te zetten in onze samenleving. Deze drie maatschappelijke gebieden (of organen) heb je ook altijd op bedrijfsniveau nodig: we boeren niet alleen, maar hebben filosofen, psychologen, muzikanten, juristen, … nodig om goed te werken.’

 

Walter droomt over hoe De Zonnekouter zich verder kan ontplooien. ‘Katrien wil meer fruitteelt, Arne heeft goesting in melkvee houden en kaasmaken, dat moet toch mogelijk zijn? De consument heeft een grote vraag naar verwerkte voedingsproducten, waarom brengen we die verwerking niet terug naar zijn basis, op de boerderij? Als je maar wakker genoeg blijft, komen de mensen vaak op het juiste moment binnengewaaid, dat hebben we hier toch wel meermaals gemerkt. Dat is op zich als oefening toch ook wel de moeite: hoe realiseer je als kleinschalig initiatief zovele samenwerkingen en kruisbestuivingen? Hoe meer samenwerking, hoe ‘groter’ je wordt, hoe makkelijker ergens alles ook wordt, hoe meer kansen om iets sociaals op te bouwen. Maar het kan ook met je gaan lopen, belangrijk is dus om je focus, je missie te bewaken!’

 

Het is een vreemde ervaring voor Walter: vandaag is voor hem de toekomst afgesloten door ziekte, maar de confrontatie met de dood laat hem toe om intensief terug te blikken, met een geest die wakkerder is dan ooit. Hij gaf zijn visie – afwisselend hilarisch en bloedserieus – op de nodige sociale vernieuwing in onze samenleving, enerzijds vanuit zijn ervaring met de boerderij als sociale oefenplek, anderzijds vanuit de inspirerende gedachten die hij vond bij enkele antroposofische denkers. Walter had gehoopt om op deze manier tot op zijn oude dag ( op zijn bankje) op de boerderij te blijven meedenken, het gebeuren te blijven voeden, door met de regelmaat van de klok de noodzakelijke knuppel in het hoenderhok te gooien… ‘Ik zal dat missen – kan dat?!’, bedenkt hij zich.


De tekst kwam gezamenlijk tot stand dankzij An Verboven (boerin), Myriam Dumortier (supporter, abonnee en sympathisant sinds het eerste uur) en Wivine Heynderick (sympathisant-medewerker).

[1] www.land-in-zicht.be